Naar beneden kijken

LAURENS DE PAURENS

Welkom!

Wat tof/gaaf/interessant/bijzonder dat u op deze website terecht bent gekomen. Mocht u verschrikt denken: ‘wat doe ik hier? Ik was op zoek naar het zorgcentrum.’, klik dan hier. Zo niet, wat tof, gaaf, interessant en bijzonder! Mocht u meer over Laurens (u weet wel, de persoon die dit blog bijhoudt en in de derde persoon over zichzelf schrijft) willen weten, dan kunt u dat hier vinden.  Kortverhalen die hij het publiceren waard vond, zijn hieronder te vinden. Ook tikt hij weleens columns, ook leuk (of niet).

Als u denkt: ‘ik wil eigenlijk gewoon een muzieksuggestie krijgen van Laurens’: say no more.

Advertenties

Het gras is altijd groener op Mars

De column die ik schreef en voorlas bij een actualiteitencollege over water op Mars. We kregen zelfs oortjes in.

Life on Mars

Het gras is altijd groener op Mars. Nu weet ik natuurlijk dat op de okerkleurige planeet vooralsnog geen gras is gevonden, maar wie durft te zeggen dat dat nooit zal gebeuren? Mensen zeggen wel eens dat deze generatie, ónze generatie, pech heeft op dit moment in leven te zijn – hoe mistroostig dat ook moge klinken. Dat wij te laat zijn geboren om de wereld te kunnen ontdekken en te vroeg om de geheimen van het universum te ontwaren. Dat blijkt in toenemende mate onwaar te zijn, aangezien wij het heelal stukje bij beetje aan het uitpluizen zijn. En weet je, dat is zowel fantastisch als angstaanjagend. We hebben stromend water op Mars, iets dat aan het begin van deze eeuw nog ondenkbaar leek, gigantisch gedetailleerde foto’s van Pluto en data van de dwergplaneet die nog steeds binnensijpelt.

Maar weet je wat? Ik ben bang. Lees de rest van dit artikel »

Stiften op Hongerige Wolf

Op het toffe festival Hongerige Wolf richtte de Wintertuin een schrijfwerkplaats in. We zaten in de schuur van Dikkie Zwik, de man die al zo’n zestig jaar in Hongerige Wolf woont en er een hele hoop kippen, konijnen, een geit en meer dan 2000 preien op nahoudt. Drie dagen lang schreven we daar festivalpoëzie, vouwden we zines en maakten we stiftgedichten. Ook toen het zo hard stormde? Ja, ook toen.

APPLE AUTORIT BERNAL

de nieuwe Albert Heijn

Ook nu weiger ik een zelfscanner te pakken. Terwijl ik in mijn hoofd de route door de supermarkt probeer te plannen, zoekt Patrick naar zijn bonuskaart. We wonen in hetzelfde huis met nog drie anderen, maar Patrick is de enige die ik met regelmaat spreek. Hij was net het aluminium bakje van zijn lasagne aan het schoonmaken toen ik de keuken binnenliep, waarop ik besloot te vragen of hij mee wilde lopen naar de supermarkt. Ik vind hem niet heel aardig, maar hij luistert naar wat ik vertel en zegt soms grappige dingen.
“Lex, heb jij je bonuskaart mee?” Patrick wijst naar de rij met zelfscanners. Ik pak mijn portemonnee, zie de bonuskaart gelijk zitten en zeg dat ik hem vergeten ben. Dan kijk ik op mijn horloge – een unisex model met rood leren bandje dat ik zaterdag in de kringloopwinkel vond, en waarvan Lukas zei dat het “een interessante vondst” was – en zeg ik dat ik honger krijg. Het is net half acht geweest.
Terwijl Patrick zich hardop afvraagt waar hij zijn bonuskaart heeft gelaten, denk ik aan het meisje achter de eerste kassa. Ze had peroxideblond haar en zorgvuldig opgemaakte wangen. Ik neem mezelf voor straks bij haar te gaan staan. Heel zachtjes is Use Somebody te horen, de versie van Laura Jansen.

We passeren de sushibar vier keer voor we alle boodschappen op het lijstje gevonden hebben. Terwijl ik overweeg nog een laatste rondje fruitafdeling te maken, duwt Patrick me het mandje in handen. Hij heeft geconcludeerd dat zijn bonuskaart gestolen is, en gaat een nieuwe halen. Met het mandje in mijn hand loop ik naar de bakken met groente en fruit. Een ogenblik denk ik dat ik een berichtje krijg, maar als ik op mijn telefoon kijk, blijkt dat niet het geval. Ik pak een willekeurig stuk groente op en direct daarna voel ik een hand die krachtig op mijn schouder wordt gelegd. Per ongeluk laat ik de paprika vallen.
“Lex!” Ik draai me om, kijk op van de hand op mijn schouder en in de blauwe ogen van Lukas. Hij ziet er opgewekt uit. “Ik wist niet dat jij hier je boodschappen deed. Je ging toch naar de Estafette? Ja, toch?” De Estafette is de biologische supermarkt recht tegenover deze Albert Heijn. Ik moet denken aan de paprika. Die zal wel helemaal beurs zijn geworden.
“Lukas, hoi. Ja, normaal gesproken ga ik daar ga ik wel heen. Maar nu dus niet. Ik spaar die kristalzegels, vandaar.” Vandaag krijg ik er weer twee bij. Voorzichtig schop ik de paprika uit zicht.
“O.K. Luister, ik ben hier eigenlijk alleen om humus te halen. De Estafette is dicht en Else komt zo langs.” Hij rolt met zijn ogen. “Zie je later, Lex.” Hij kijkt even op zijn telefoon, dan naar mijn mandje en dan weer naar zijn telefoon.
“Deze pizza’s zijn niet voor mij.”
“Wat?” Lukas kijkt bijna op van zijn beeldscherm.
“De pizza’s.” Ik knik naar mijn mandje. “Patrick vroeg of ik twee pizza’s voor hem wilde halen, dus. Ze zijn niet voor mij.”
Lukas neemt zijn telefoon op en loopt weg, ondertussen nog “whatever” en “smakelijk” zeggend.

Bij de kassa’s staat Patrick met tussen zijn duim en wijsvinger een nieuwe bonuskaart, die hij als een FBI-agent voor zich uit houdt. Over zijn schouder zie ik Lukas naar buiten lopen met iemand die ik wel eens bij Bagels&Beans heb gezien. Ik geloof dat hij Robert heet, of Roy. Robert of Roy draagt zijn haar altijd in een knot – nu ook – en maakt gretig gebruik van het woord ‘man’. Ook draagt hij schoenen die er oud uitzien, maar ik weet dat hij ze zo koopt. De muziek is hier beter te horen, en tussen de vele bliepjes door hoor ik Tina Turner met een van haar bekendere nummers: We don’t need another hero. Het is een opzwepende tune, en precies wat ik nu nodig heb.
De man voor me heeft achter zijn boodschappen, drie blikken Bavaria bier van 50cl, geen balkje op de band neergelegd en maakt geen aanstalten hiertoe wanneer ik het mandje begin uit te pakken. Ik krijg zin in een biertje en in het lege flesje op zijn hoofd kapotslaan. De man rekent zijn anderhalve liter bier contant af, €1,89 in de bonus, waarna het ordinaire kassameisje wordt vervangen. Het is acht uur precies, het journaal zal zo wel beginnen. Het nieuwe meisje is een fractie in de war door het ontbrekende boodschappenbalkje, maar herpakt zich schijnbaar moeiteloos. Ze begroet me vriendelijk en scant de producten met zichtbaar enthousiasme. Het biologische brood, de pakjes sojamelk van Alpro, de geroosterde oergranen van Leev, de sesamolie en kokosolie, de zakjes fruit – ongebrande para- en pecannoten, Gojibessen, cranberry’s, incabessen en pruimen – één sesamreep met honing voor op de fiets, twee rode paprika’s, een fles aroniasap op aanraden van Lukas en twee pizza’s salami van Dr. Oetker. Ik heb alles. Niets is in de bonus.
Het kassameisje, dat een stuk knapper zou zijn als ze haar haren los droeg en iets anders aantrok, lacht naar me. Haar ogen lachen niet mee, maar lijken een geheim te verbergen. Misschien wordt ze geslagen of is ze verkracht, is haar vader overleden. Zou ze zwanger zijn? Wat het ook is, het doet iets met me. Met de rug van mijn hand veeg ik een zweetdruppel van mijn voorhoofd en ik moet de neiging onderdrukken haar in haar gezicht te slaan. In plaats daarvan geef ik haar mijn bonuskaart. “Dat zijn trouwens niet mijn pizza’s.” Ik knik naar de pizzadoos in haar hand. “Ik bedoel: het zijn wel mijn pizza’s, want ik betaal ervoor, maar ze zijn niet voor mij. Snap je?” Ze haalt haar schouders op, ze is breder dan ik dacht. “Ik haal pizza’s voor iemand.” Terwijl ik Patrick de boodschappen laat inpakken, neem ik vast een hap van de sesamreep met honing, maar ze is al met de volgende klant bezig. Ik stop de twee zegels in mijn portemonnee.

Patrick steekt een sigaret op zodra we buiten zijn. “Je had je bonuskaart dus toch bij je.”
Ik haal mijn schouders op. “Ja, hij zat gewoon in mijn jaszak.”
Hij schiet zijn sigaret weg, we lopen door. Ik vind het jammer dat ik de naam van het eerste kassameisje niet te weten ben gekomen. Op het moment dat ik de sleutel in mijn kamerdeur steek, draait Patrick zich om. “Wat was dat trouwens, net? Dat met die pizza’s?”
“Ik weet niet precies wat je bedoelt.”
“Bij de kassa. Wat je tegen dat meisje zei.”
Ik duw de deur open en stap naar binnen. “Er was niks. Ik herinner het me niet eens echt meer.” Vijf minuten blijf ik met mijn rugtas om achter de dichte deur staan. Het is bijna half negen. Ik loop stil naar de keuken en zet de oven aan. Dan ga ik de boodschappen uitpakken.

wpid-imag1919.jpg

Hoofddeksels zeven

In LUX deed ik mee aan een literaire stoelendans, bij Het Wilde Oosten. Ik werd tweede en droeg toen dit voor.

HOOFDDEKSELS 1
Voor elke dag van de week heb ik een andere pet.
De petten zijn allemaal op één dag gekocht, een zondagmiddag in mei. Het was markt en de zon scheen fel op het plein, de talloze mensenzwerm. Op goed geluk liep ik de kraampjes af, met de zon die in mijn ogen stak en mijn handen op de houten tafels. Ik schuifelde en raakte bij elk tafeltje twee of drie producten aan, tot ik voelde dat ik bij een hoedenkraampje was gekomen. De hoeden waren gerafeld en verzameld in bananendozen. Op de dozen waren stickers geplakt met de tekst: ALLES WEG VOOR 1 EURO. De verkoper voegde toe dat de hele doos voor een tientje weg mocht, maar ik wist niet wat ik met zoveel hoofddeksels zou moeten. Ik kocht zeven petten. De verkoper deed er vier zonnebrillen, twee keycords en een ansichtkaart van de Waalbrug bij. Ze was al beschreven.
Het is rustig in het park. Ze zal een van de weinigen zijn vandaag. Eerst nog wat over het gras lopen. Een stukje van mijn croissant aan de eenden voeren en even blijven kijken naar de spontaan ontstane waanzin die volgt. De schrik wanneer ik erachter kom dat mijn bankje bezet is. Ik kijk op mijn horloge, straks ben ik te laat. Terloops wandel ik langs het bankje. Er zit een man op. Hij heeft net zijn wandelstok tegen de bank gezet, en veegt nu met een kanten zakdoek de speekselsliertjes in zijn mondhoek onhandig uit over zijn wang. Trillend stopt hij de doek weer in zijn borstzak. Ik kijk op mijn horloge en kuch. De man kucht op precies hetzelfde moment en met meer geweld zoals oudere mensen dat kunnen, en tast opnieuw naar zijn zakdoek. Ik loop door.

HOOFDDEKSELS 2
In het trappenhuis loop ik langs de muur die ik in een dronken bui beschreef. Een regel uit een liedje was het. Jeff Buckley spookt hier. Schijnbaar tevergeefs staat een man aan te bellen op de tweede verdieping. Een jongen eigenlijk nog. Hij draagt schoenen die je bij een militair verwacht. Hij is geen militair. Dit is een stevige jongen met rood haar en een koptelefoon op zijn hoofd. Het is Ziggy Stardust, maar dan alsof zijn albums slecht hebben verkocht. Een alien met een eetstoornis. We zeggen geen hallo. Op de begane grond hangt het prikbord dat ik in een dronken bui beschreef. Het was wel een andere bui. Dat kun je aan de teksten lezen.

HOOFDDEKSELS 3
De man is er niet. Ik ga gelijk zitten, eet mijn croissantje helemaal op. In mijn zak voelt de haarband ondertussen warm aan. Het duurt niet lang voor ze zal langskomen. Het park zal haar verlegen toestaan haar vaste route af te werken. Ik knijp in de haarband, trek daarna mijn pet goed. Ze draagt vast een korte broek. Roze. Alles is roze. Haar veters, de strepen op haar broek, het roze polyester van haar shirt. Haar huid. Het elastiekje in haar haren: roze. Ik weet het haast zeker. Ze zal hier zijn. Ze zal bij het bankje stoppen om haar rekoefeningen te doen. Eerst links en dan iets langer rechts. Ik zal vragen of deze haarband toevallig van haar is. Daarna zal ik naar de Intersport lopen om de haarband terug te brengen.

QWERTYPEMACHINE

Ik heb laatst een typemachine gekocht. There, I said it. Of ja, ik: mijn moeder wandelde door de kringloopwinkel – waarom weet ik niet, we hebben thuis genoeg troep – en zag een bijzonder intacte, prachtige typemachine staan. Een blauwe. ‘Hij was maar twaalf euro vijftig’, had ze trots gezegd. En ik was blij. Zodra ik het kleine, maar verrassend zware koffertje de zesenzestig treden op had getild, kon het feest beginnen. Alle vuile vaat van het tafeltje, een grijze LACK met pankringen, en daar stond-ie. De blauwe Brother. Om te kijken hoe het stond, zette ik er een glas whisky naast en legde er een open pakje sigaretten bij. Het was half elf, en ik tikte bij gebrek aan blanco a4’tjes op een oude envelop. Elke tik klonk als een rotje dat ontplofte, ik dacht aan mijn buurman.
De zinnen die ik uiteindelijk op envelop wist te zetten, waren niet zo tof. Door de whisky en sigaretten werd het film noir en regende het aldoor. Ik durfde ook niet verder te typen, uit angst voor gebons op mijn kamerdeur. Want ja, dat geluid van zo’n typemachine, tikmachine, schrijfmachine, dat tikt wel aan. Literaire mitrailleurschoten, afgevuurd in de holle leegte van een studentenkamer. Nooit oorlog zonder woorden. Gelukkig werd uiteindelijk niet geklopt of tegen de muur geslagen, en ging ik gewoon slapen.
De typemachine zette me aan het denken. Tegenwoordig heerst er een onstuitbare drang naar het verleden, of zo lijkt het. Alles wat vintage of retro is, krijgt meerwaarde. Denk maar aan de ouderwetse maar toch hippe kledingstijl die men zich aanmeet, of hoeveel mensen zeggen dat ze ‘wel graag naar jazz luisteren’. En dan zijn er nog de elpees, die in elke Nijmeegse muziekwinkel minstens evenveel ruimte innemen als de cd’s. Begrijp me niet verkeerd, ik veroordeel deze mensen niet. Ik ben meestal te druk met het beluisteren van obscure jazzelpees om me hierover zorgen te maken. Het enige wat ik zou willen, is dat dit zou doorwerken in de typemachine. Dat de docent dan van wal steekt maar gelijk moet stoppen door het oorverdovende geluid van vierhonderd ijverig meetikkende studenten, dat er automaten worden geïnstalleerd waar je papier en inktlinten kunt halen, dat iemand zo’n ouderwetse, grote, printer meeneemt – ‘een erfstuk’ – waardoor het tafelblad afbreekt. Ja, dat wil ik zien. Misschien neem ik de Brother binnenkort wel mee, om te kijken of er iets ontstaat.

Bicycle, bicycle

Krampachtig kneep hij in de arm van de jongen die op de scooter zat. Ze gingen heuvelafwaarts. ‘Niet zo hard, niet zo hard!’ riep hij, zijn voeten stevig in de trappers geplant. Ze lachten terwijl ze over de kruising zoefden.

Ik denk aan vroeger, toen ik nog op een boerderij woonde. Dat ik op dezelfde wijze met mijn buurmeisje mee taxiede, mijn linkerhand op haar rechterschouder. Haar scooter was donkerblauw en als er politie aankwam liet ze me achter, maar voor heel even.

In de Gelderlander lees ik over een jongen die zich laat voorttrekken door een auto. Een stapje hoger. Ik heb er ook wel eens over nagedacht. Raampje open, hand erachter haken en gaan. Hoe de wind nog harder door je haren gaat en je wielen steeds sneller. Hoe je met een hand je steeds heviger trillende stuur onder controle probeert te houden en elk steentje of deukje in de weg als dreiging ervaart. De jongen laat los als een auto hen tegemoet rijdt, slingert en valt.

Monopoly, zomer 2009

Dit verhaal schreef ik voor het toffe kampeerfestival Tentstock. Ik droeg het voor in een kleine boerderij en dat was leuk, dus hopelijk werkt het ook als droge tekst op een internetpagina.

Monopoly, zomer 2009

En ja hoor, daar zaten we weer. De hele familie driftig aan het monopolyen op ons terrasje. Of eigenlijk was het meer een verandaatje, met van die witte tuinstoeltjes. Die stoeltjes waarvan de poten er al af knapten als je er te lang naar keek. Ons huisje stond aan de campingstraat en op een helling. In het midden van de straat liepen geultjes vol met water de heuvel af, richting de rivier. Het getik van de regen was al drie dagen lang de nachtmerrie voor elke raskampeerder, en ook voor mensen die niet zo van monopoly houden. Mijn moeder was gelukkig overal op voorbereid en had ook deze vakantie Triviant en Carcassonne meegenomen. ‘Lekker tijd doorbrengen met je familie kan ook leuk zijn’, zei ze dan.
Het idee van bordspelletjes spelen op vakantie heb ik nooit echt begrepen. Als de familie zo ingenomen was met in competitieverband de meest stompzinnige vragen – Waar ter wereld wordt Belgisch gesproken? – te beantwoorden, waarom deden we dit thuis dan nooit? Dat ik dan mijn training af zou zeggen, dat Simon en Roos zich achter de tv vandaan sleepten en papa eens niet de hele avond opgesloten zat in zijn werkkamre. En dan scrabblen totdat alle woorden op waren. Maar dat gebeurde dus niet, tenzij vakantie. De dobbelstenen lagen nooit langer dan een halve minuut stil en mijn moeder ontwierp een borrelschema: was het drinken op, dan moest de speler die als laatste had gedobbeld bijvullen.
Om dit scenario te vermijden stond ik een maand geleden voor mijn vaders kantoor. Waarom ik zenuwachtig was, wist ik niet, ik had namelijk een strijdplan uitgestippeld.

– Ik zou openen met Freek die met vrienden op vakantie mocht. Onze ouders kenden elkaar, dus die zou in ieder geval goed scoren.
– Daarna legde ik uit dat ik volwassen was geworden in het afgelopen jaar, en nu toch eens graag zelf de wereld wilde zien. Om kracht bij te zetten, overwoog ik de zin ‘Jij bent toch ook eens jong geweest’ te gebruiken, maar dat was natuurlijk afhankelijk van het moment.
– Om de deal te sealen zou ik hem de voordelen van een vierpersoonsvakantie tonen: als iemand niet van ruziënde kinderen hield, was het mijn vader wel.

Mijn speer brak eigenlijk al voordat ik was begonnen. Toen mijn vader vertelde dat we dit jaar met de familie van Freek op de camping zouden staan, viel mijn hoofdargument redelijk als vanzelf weg. Het besluit om mijn betoog kracht bij te zetten via mijn stemvolume was de tweede fout die ik maakte in rap tempo: hij schreeuwde gewoon veel harder. Dus ja, daar zaten we weer. En zoals nu al drie dagen de norm was, bleek mijn moeder aan de winnende hand. ‘Ik weet ook niet hoe dat kan’, zei ze dan. Mijn vader bulderde dat het geluk met de dommen was en nam systematisch een slok wijn.
Toen het lichtelijk begon op te klaren, besloten Simon en ik een rondje camping te maken. Op de vraag wat hij nou van kamperen vond, reageerde de jongere van ons neutraal. Hij trok zijn schouders op en zei dat we dit nu eenmaal elk jaar deden. Een goede camping was als een goede kapper, concludeerde hij. Ik wilde vragen of hij het niet een keer beu was dat negentig procent van de camping bestond uit Nederlandse mannen die met ontbloot bovenlijf elke namiddag worstjes op de barbecue kapot stonden te koken, terwijl een bende kinderen de campingvlakte onveilig maakte met waterpistolen en veel lawaai, en iedereen dan ’s avonds in de campingdisco minimaal vijf minuten met zijn moeder moest dansen. In plaats daarvan zwaaide ik naar Freek, die zich bij ons aansloot. We liepen naar de rivier en gooiden steentjes op het water. Even verderop zat een groep meisjes, ik kende ze van gezicht en van de disco. ‘Zie je dat? Die meisjes? Nou, waar houden meisjes nou echt van? Van muzikanten, natuurlijk’, zonder ze ook maar een kans te geven om te raden. ‘Ik stel voor dat we een band beginnen. David en de Bowies. Nee, niet omdat ik nou net David heet, of ja, nee. Het wordt een David Bowie Alter Ego Tribute Band. Simon, jij kunt wel door voor Ziggy Stardust als je een gitaar weet te vinden, en Freeks rode haar maakt hem tot een logische Aladdin Sane. Misschien kunnen we wel make-up lenen van mijn moeder, om het echt goed te kunnen doen. Freek gooide een steen richting een eend en zei dat hij niet wist wie David Bowie was. Simon sloot zich daarbij aan en voegde toe dat hij een oude doos Risk had gevonden in de slaapkamer, en dat we dat misschien wel konden gaan doen.

Samuel Beckett is dood

je voudrais que mon amour meure
qu’il pleuve sur le cimetière
et les ruelles oè je vais
pleurant celle qui crut m’aimer

In Dublin wordt het duidelijk. In Dublin vind ik de bescheidenheid die past bij een weggestopte hoofdstad. De straten ademen een oprechte en onaangetaste sfeer uit in de vorm van pittoreske, bakstenen huisjes met fel geverfde voordeuren, massieve kloppers en trapjes naar deze massieve kloppers toe. De voortuintjes die met zwarte punthekjes zijn omheind. Uit elke groezelige kroeg, wier naam in sierlijk bladgoud op de houten architraaf prijkt, klinkt zonder uitzondering iets te harde gitaarmuziek, al dan niet vergezeld van een banjo. Uitlopers van muziek die me onherroepelijk naar Van Morrison voeren – maar natuurlijk op véél oudere traditie teruggrijpen – schallen uit de cafés, waarvoor men gerust een voetbalwedstrijd laat onderbreken. Dezelfde straten waar eens James Joyce en Oscar Wilde rondliepen, zichzelf bezatten, schreven. Waarschijnlijk keek de nuchtere Ier niet eens op of om waar nu mensen wijzen naar de deur die boven de kroeg aan de muur is bevestigd, naar verluidt door Joyce himself.

En daar loop ik zelf, alleen, door Saint Stephen’s Green. Een park dat blijkbaar eerst een leprakolonie was, maar nu vooral bezoekers trekt wegens de eendenvijver en de bloementuin. Het alleen-zijn voelt niet als eenzaamheid, maar als een reiniging. En ik zie alles, zo helder. De twee wandelaars voor me, hand in hand, kussen op het voorhoofd. Ze wijzen naar de zwaan die zichzelf wast aan de rand van het water, ze lachen als kinderen. Het zonlicht valt op haar haren van krullend koper als ze naar het water toeloopt. Met zijn armen om haar middel en haar achterhoofd tegen zijn borst wiegen ze zichzelf een nieuw begin in. Dansend door de straten, peinzend op wiebelige bruggen. Het voelt puur, het stemt gelukkig. Ik ging naar het park om alleen te zijn, maar zo voel ik me niet meer.

Op mijn laatste dag in Dublin vond ik een gedicht van Samuel Beckett. Vierregelig. Zoveel kracht in zo weinig woorden, in het Nederlands lastig te vatten. (zodra ik Duits/Italiaans/Fins/etc. kan, zal het gedicht ook in die taal wel hier verschijnen, nu we toch bezig zijn.)

I would like my love to die
and the rain to be falling on the graveyard
and on me walking the streets
mourning the first and last to love me

ik wens dat mijn geliefde sterft
dat regen op de begraafplaats valt
en in de straten waar ik loop
wenend om de enige die mij liefhad